Ik móest vertellen wat ik op mijn hart had

Toen ik tien was, gebruikte ik weleens behoorlijk moeilijke woorden om iets te vertellen. Regelmatig communiceerde ik ook in m’n eigen taal.

Ik sprak in het Italiaans, Frans, Afrikaans en Spaans en dat deed ik door elkaar.

De ene zin kon Spaans en Italiaans zijn, de ander Afrikaans en Frans. En een volgende weer volledig in het Italiaans.

Het waren ook regelmatig woorden in willekeurige volgorde door elkaar gegooid, maar met een gemeenschappelijke betekenis.

Hoe ik daar aan kwam? Ik pikte dat op van de televisie. Ik zal twaalf geweest zijn toen ik een Nederlandse tekst optekende over het woord “draconisch”. Vlak daarvoor had ik naar de film Dracula gekeken.

De film was nog lang niet geschikt voor mijn leeftijd, maar met een smoesje mocht ik met een paar anderen toch naar de film kijken, samen met oudere kinderen en de scoutingleiding.

Wellicht zag ik naast alliteratie ook een manier om herinneringen te omschrijven. M’n moeder wist niet wat het woord betekende, vroeg zich dat hardop af.

Er waren zoveel signalen, maar voor mijn gevoel was er niemand die het zag. Ik kreeg van mijn klasgenootjes vaak de vraag of ik ook normaal kon praten, in het Nederlands welteverstaan. Niet dus.

Ik wauwelde gewoon door. Ik móest datgene vertellen wat ik op m’n hart had. “La puta!” schreeuwde ik dan weleens, over m’n gevoel. Ik voelde me een hoer, een verstoten jonk, een misbaksel.

“Contempre”, fluisterde ik daarna op een smekende toon tegen een vriendje die me net daarvoor nog zei niet meer met mij te willen praten als ik niet normaal kon praten.

En als hij dan boos keek, herhaalde ik het nog luider. “Aanschouw me dan!” Ik wilde zeggen: “Kijk naar me, zie mijn verdriet, help me dan eens.”

Wanneer een kind niet de vrijheid proeft en krijgt om zich te uiten over zijn of haar gevoelens, dan verzint het kind andere manieren om de boodschap te verkondigen.

Op deze wijze geeft het kind signalen af. Een volwassene die met kinderen werkt zou die kleine seintjes kunnen herkennen, als daar tijd en aandacht voor is.

Ik zat zelf in een basisschoolklas met zo’n dertig leerlingen. De ene keer had ik ruzie omdat ik een jongen een bloedneus had geslagen. Een andere keer had hij mij geslagen.

Beide keren werd ik bestraft, ik was als kind fout.

Mijn emoties werden door leraren nooit begrepen. Los daarvan was ik thuis ook de pispaal. De enige veiligheid die ik had was mijn eigen lichaam die ik dan ook oog om oog, tand om tand, verdedigde.

Doordat ik doorging in m’n eigen taaltje wilden de klasgenootjes na verloop van tijd niet meer met mij praten. Daarna ging ik mijn best doen om Nederlands te praten, wat ik uiteraard wel gewoon kon.

Dan benoemde ik dat we toch vriendjes waren. Toch? Vriendjes, dat wil toch iedereen als hij tien is? Vriendjes die je begrijpen, dat wilde ik graag.

M’n boodschap in m’n eigen taaltje kwam niet over.

Wouter was raar, kon vaak niet normaal praten. Ik kon hen moeilijk zeggen in het Nederlands wat ik meedroeg in m’n ziel. Ik voelde mij verdomd eenzaam daar in die klas op de basisschool.

In groep acht stond ik bekend als een jongetje die nogal oversekst was. Voor de eindmusical kreeg ik de rol van secretaris. “Seks achter de tralies,” noemde een klasgenootje mij toen.

Ik verwijt hem niets, maar als ik erop terugkijk denk ik: Hoe kan het dat dit leraren nooit is opgevallen? Of viel het wel op, maar wist men niet hoe mij hierover te benaderen?

Waarom schreeuwt een kind zulke dingen zoals “La Puta”? Hoe komt-ie daarop? Waarom heeft dat kind van tijd tot tijd ruzie? En dan zo heftig ook. Hoe is dat ontstaan?

Ik ben benieuwd wat er uit was gekomen als een meester echt met mij in gesprek was gegaan over de gedachtegang erachter.

Ik ben benieuwd of die meester dan wellicht een connectie zou hebben kunnen leggen tussen mijn uitspraken en mijn gedrag. Het lijkt me dermate opvallend dat het niet ongezien kon blijven.

Tegelijkertijd wil ik niet stellen dat als via die weg naar boven was gekomen wat voor signalen ik afgaf, en waar die naar verwezen, dat dan het achterliggende probleem meteen was opgelost.

Ik heb mijzelf weleens de vraag gesteld hoe mijn leven zou zijn geweest als ik in een arm gezin vol van liefde was opgegroeid, of als ik uit huis was geplaatst en zo bij een pleeggezin terecht was gekomen. Het wil niet zeggen dat ik dan per definitie een leukere jeugd had gehad.

Uiteraard is alles te rationaliseren vanuit het gegeven dat kinderen altijd weleens ruzie met elkaar hebben. Zo kun je ook stellen dat kinderen wel meer rare uitspraken doen.

Je kunt ook net zo makkelijk beweren dat het allemaal nergens op slaat. Maar ik heb het dan ook niet over eventjes. Ik heb het niet over een keer. Hoe ik sprak, hoe ik mij gedroeg en de signalen die ik hiermee afgaf, zijn tig keer voorgekomen in een tijdsbestek van vier jaar.

Mijn boodschap: herken signalen wanneer je met kinderen werkt.

Ik hoop dat iedereen die met kinderen werkt dit verhaal opslaat in z’n geheugen en nadenkt over welke signalen de kinderen om hem of haar heen afgeven. De kinderen geven indirect een inkijkje in hun leven: doe er wat mee.

Gastblog van Wouter Springer.

Foto komt uit de collectie van Erik Koeslag.

Auteur: Mary

Mijn bio op twitter is aardig volledig: Kritisch, Nieuwsgierig, Moeder, Behulpzaam, Humor, Gehuwd, Regelaar, Spontaan, Flapuit, Creatieve geest, Ideeënbrein, Blogger, #twittertaalgids en oh ja ook nog: a-technisch ben ik.

Deel dit bericht

2 Reacties

  1. Wat een bijzonder verhaal, Wouter.
    Ik begrijp niet waar dit taalgebruik vandaan kwam (komt) maar voor de boodschap maakt het niet uit.
    Ik denk dat veel kinderen zich onbegrepen voelen en signalen afgeven.
    Ik ben het helemaal eens met je laatste alinea.

    Laat een reactie achter
  2. Wat een buitengewoon bijzondere manier van uiten.
    Moeilijk toch voor andere kinderen.
    Jij werd niet begrepen.

    Dankjewel…ik heb weer iets geleerd.
    Jij..sterkte.

    Laat een reactie achter

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *