Opgeven zag ik als een karakterfout

Wat moest ik wel en wat moest ik niet doen om een leven te creëren waarin ik me fijn en veilig voelde?

Ik ontwikkelde rond mijn achttiende Anorexia Nervosa, een stem die me vertelde wat wel en niet goed was. Een leven waarin ik me goed voel, geen pijn ervaar en komen waar ik komen wil.

Het leven met een eetstoornis leek te zorgen voor stabiliteit, weten waar je aan toe bent.

We leven in een wereld van ‘Yes, we can!’ Als je maar goed genoeg je best doet, kun je echt álles bereiken. Toegeven dat dat níet zo is, voelde als een misser en opgeven zag ik als een karakterfout.

Ik was voortdurend bang om te falen, niets was goed genoeg en als bescherming voor mezelf heb ik een muur om me heen gebouwd die steeds hoger werd.

Door terugkerende problemen en een trauma was ik ten diepste bang om de grip te verliezen, het besef dat het leven geen houvast kent; vertrouwen heb ik nodig, geen naïef soort vertrouwen.

Erkennen dat ik het moeilijk had kon ik niet, dan zouden mensen mijn zwaktes zien en dát was dat wat ik niet wilde! Als iemand iets aan me dacht te merken, zweeg ik of ik vermeed de situatie.

De aanwezige angst die ik voelde, de angst voor wat anderen van me dachten. De angst om niet geaccepteerd te worden. Die extreme angst om diepe emoties toe te laten, angst voor wat er niet mocht zijn.

Ik kreeg steeds meer moeite met `Nee’ zeggen en het aangeven en beschermen van mijn eigen grenzen. Mijn zelfbeeld en zelfvertrouwen werden aangetast en ik werd steeds somberder.

Het begon met het schrappen van ‘ongezonde dingen’, zoals tussendoortjes en calorierijk broodbeleg.

Vervolgens werden ook mijn drie hoofdmaaltijden kleiner en dronk ik weinig dranken die calorieën bevatten, dit werd langzaamaan steeds extremer.

Ik had niet door dat ik ziek was, stond dan ook meerdere keren op een dag op de weegschaal en ben toen in een relatief korte tijd heel veel afgevallen. Daarbij had ik last van extreme bewegingsdrang, dit was voor mij een manier om mezelf en m’n lichaam onder controle te houden.

Daarnaast ben ik ook een periode onzichtbaar ziek geweest, zo dachten de mensen om me heen dat het weer goed ging en viel ik vervolgens weer terug. De rust en de tijd die ik eigenlijk nodig had om even stil te staan, nam ik niet.

Uiteindelijk moest ik wel besluiten om te stoppen met mijn opleiding, omdat ik het lichamelijk en geestelijk niet meer aankon.

Ik kon niet omgaan met de emotionele pijn en het verdriet dat ik had en op een gegeven moment voelde het enige vertrouwde nog de eetstoornis: “míjn houvast in deze wereld.”

Mijn ‘ik’ werd als het ware overgenomen door de eetgestoorde gedachten. Dán zou ik géén pijn voelen, géén verdriet. Dán zou ik het leven aan kunnen en op deze manier wilde ik mezelf beschermen tegen beschadiging en verwonding.

Ik was tevreden toen mijn gewicht met de dag lager werd, mijn lichaam veranderde en voelde me trots op het gevoel van te licht zijn.

Ook had ik vaak de drang voeding aan te willen raken, ernaar te kijken en zo testte ik of ik mezelf in bedwang kon houden. Dit lukte en de eetstoornis nam steeds ernstigere vormen aan.

Het moment dat ik opgenomen werd in een kliniek, was mijn allergrootste angst om mezelf los te gaan leren zien en vooral los te durven zien van de eetstoornis. Het idee dat ik uit die comfortzone zou gaan stappen, uit dat veilige wereldje, maakte me extra angstig.

Ik voelde me dan ook verschrikkelijk wanneer ik na een eetmoment vervolgens een lange tijd stil móést blijven zitten, zodat voedingsstoffen opgenomen konden worden door mijn lichaam.

Dat was ten strengste verboden, volgens dat stemmetje in mij; eten zou betekenen dat ik moest gaan voelen, en dat mocht niet. Al die jaren leefde ik in mijn eetstoorniswereldje, dat moest zo blijven.

Elk moment dat er maar héél eventjes niet op me werd gelet, greep ik aan om rondjes te gaan lopen en calorieën te verbranden.

In de eerste dagen van de opname deelde ik totaal niet wat ik eigenlijk voelde, dacht en deed. Ik wilde mij niet aanstellen, want ik schaamde mij dood voor mijn rare (eet)gedrag.

Tot ik langzaamaan ging beseffen dat ik niet alleen ben met dergelijke gevoelens en gevechten tegen mezelf en het leven. Waar ik mij eerder schaamde voor mijn eetstoornis, leerde ik er nu over praten met de psychiater tijdens groepstherapieën, en met de behandelaars.

Het gaat niet om dun zijn, het gaat niet om eten. Het gaat over controle; iets hebben dat je zelf kan bepalen, zodat je je sterk voelt. Jij bent de enige die jezelf in de weg staat of kan staan. Alleen jij kan jezelf veranderen.

Mijn eetpatroon heb ik inmiddels onder controle gekregen en dit houd ik zo.

Ik eet normaal en voel me er goed bij. Wel weet ik, dat ik wanneer ik last krijg van controleverlies, ik eerder geneigd ben de controle te zoeken in voeding. Maar, ook weet ik dat ik het nóóit meer zo ver laat komen. Hier heb ik van geleerd.

Naast EMDR-therapie leer ik dichter bij mijn gevoel te komen en vooral te accepteren dat het er ís en het er mag zijn. Naar het gevoel toe, maar er ook weer afstand van nemen.

Ik zie nu in dat, elke keer dat je je verlies neemt, je meer inzicht krijgt in wat bij je past, in wie je bent en wat je wilt worden. Het is niet wat je achterlaat, maar wat je meeneemt.

Gastblog van Richelle van Herweijnen.

Foto komt uit de collectie van Jeanet.

Auteur: Mary

Mijn bio op twitter is aardig volledig:
Kritisch, Nieuwsgierig, Moeder, Behulpzaam, Humor, Gehuwd, Regelaar, Spontaan, Flapuit, Creatieve geest, Ideeënbrein, Blogger, #twittertaalgids en oh ja ook nog: a-technisch ben ik.

Deel dit bericht

1 reactie

  1. Jaa mooi hoe jij je leering hier uittrekt Richelle.
    Het is immers niet zo belangrijk wat we ervaren maar eerder wat doen we met de informatie ervan.
    En volgens mij doe jij dat wel goed.
    Change frequency change reality.

    Laat een reactie achter

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *